Nederland
Nederland
Achttien miljard voor infrastructuur betekent ook: andere projecten niet doen
Het kabinet heeft op 16 oktober een nieuwe prioritering voor wegen, spoor, bruggen en waterwerken gepresenteerd. Er komt 18 miljard euro extra beschikbaar, maar instandhouding krijgt voorrang boven uitbreiding. Het kabinet kiest welke verbindingen betrouwbaar moeten blijven en welke nieuwe plannen langer moeten wachten of hun financiering verliezen.
Rijkswaterstaat beschrijft een opgave die ondanks extra geld groter blijft dan wat uitvoerbaar is. Veel objecten stammen uit de decennia na de oorlog. De tegelijk aangeboden Staat van de Infrastructuur 2025 laat zien dat de technische toestand verder onder druk staat. Beheersmaatregelen zijn niet overal voldoende om bruggen en sluizen beschikbaar te houden. De keuze voor onderhoud is daarmee ook economisch beleid: een bestaande verbinding die onverwacht uitvalt, kan een hele vervoersketen raken.
Binnenlands Bestuur plaatst het bedrag in een horizon tot en met 2041. De herprioritering omvat onder meer 2,3 miljard euro voor een nieuw gemaal bij IJmuiden en 2 miljard voor de Hogesnelheidslijn. Aan de andere kant verdwijnen in de gepresenteerde plannen middelen voor onder meer de bereikbaarheid van Ameland, de N33 tussen Appingedam en Eemshaven en het sluiscomplex Kornwerderzand. Reeds gepauzeerde projecten worden evenmin allemaal hervat.
De besluitvorming is nog niet afgerond. Volgens Rijkswaterstaat volgt eerst bespreking met de Tweede Kamer en vervolgens politieke besluitvorming bij de Voorjaarsnota 2027. Daarna kunnen inkoopplanning en programmering worden aangepast. Voor gemeenten, vervoerders en bouwbedrijven is die tussenfase wel relevant: zij moeten beoordelen welke voorbereidingen nog zinvol zijn en welke afhankelijk zijn geworden van een nieuwe politieke keuze.
De schaarste zit bovendien niet alleen in euro's. Een brug vernieuwen vraagt ontwerpers, aannemers, materiaal, vergunningen en ruimte om verkeer om te leiden. Wanneer meerdere belangrijke verbindingen tegelijk worden aangepakt, kan de uitvoering elders extra hinder veroorzaken. Meer budget maakt die samenloop niet vanzelf oplosbaar. Een geloofwaardige meerjarenplanning moet daarom niet slechts aangeven hoeveel projecten gefinancierd zijn, maar ook wanneer ze met de beschikbare mensen en verkeersruimte uitvoerbaar zijn.
De VNG vraagt volgens Binnenlands Bestuur om inzicht in de gevolgen voor gemeenten. Lokale woningbouw of economische ontwikkeling kan afhankelijk zijn van een rijksverbinding. Wanneer die verschuift, kunnen lokale plannen financieel of praktisch minder haalbaar worden. De kosten van uitstel staan dan niet uitsluitend op de begroting van het ministerie.
Nederland
Opkoopbescherming moet van brede koopmarktmaatregel naar gericht wijkinstrument
Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan wil de opkoopbescherming beperken tot buurten waar de leefbaarheid aantoonbaar onder druk staat. In de Kamerbrief van 16 oktober kondigt zij een wetswijziging aan, met een meer gebiedsgerichte onderbouwing en een maximale prijsgrens. De regeling wordt niet meteen afgeschaft of gewijzigd: de minister streeft naar internetconsultatie aan het einde van dit jaar. Bestaande lokale regels verdwijnen dus niet door deze brief.
Opkoopbescherming geeft gemeenten de mogelijkheid om verhuur van aangewezen woningen gedurende vier jaar na aankoop aan een vergunning te binden. De regeling moest oorspronkelijk koopstarters helpen, leefbaarheid beschermen en malafide verhuur tegengaan. De minister trekt op basis van een evaluatie de conclusie dat vooral het tweede doel nog een zelfstandige rechtvaardiging biedt. Voor de andere doelen zijn volgens haar de marktomstandigheden veranderd of geschiktere instrumenten beschikbaar.
De beoogde aanscherping vraagt gemeenten druk op de leefbaarheid te verbinden met een onevenwichtige samenstelling van koop en huur. Ook moet de situatie in een buurt worden afgezet tegen andere gebieden in dezelfde gemeente. Voor de prijsgrens verkent de minister aansluiting bij de gemiddelde lokale WOZ-waarde. Dat is nog een onderzochte optie, geen vastgesteld landelijk plafond. Overgangsrecht en gevolgen voor de uitvoering moeten onderdeel worden van de wetsuitwerking.
Het door PONT gepubliceerde regeringsbericht legt de nadruk op sociale samenhang: eigenaar-bewoners verhuizen gemiddeld minder vaak en kunnen daardoor bijdragen aan stabiele buurtnetwerken. Het bericht noemt ongeveer zeventig gemeenten die de regeling sinds 2022 hebben toegepast.
Economisch verandert vooral de rechtvaardiging voor het beperken van eigendomsgebruik. Een gemeente zou niet langer kunnen volstaan met het algemene argument dat starters moeilijk een woning vinden. Zij moet duidelijker maken welk lokaal probleem de beperking oplost en waarom juist deze woningen daarvoor nodig zijn. Dat kan de toepassing smaller maken, maar vraagt ook betere informatie en meer expliciete keuzes over de gewenste woningvoorraad.
Een woning kan tussen koop en huur verschuiven zonder dat het totale aantal woningen verandert; de toegang voor de ene groep kan dan verbeteren terwijl die voor een andere afneemt.
Bij de wetsuitwerking moeten de vereiste onderbouwing, de prijsgrens en de behandeling van bestaande gevallen worden vastgelegd.
Nederland
EBN krijgt opnieuw een vangnetrol voor gasopslag, met maximaal één miljard subsidie
Het kabinet heeft op 16 oktober de voorbereiding op de gaswinter van 2027–2028 geconcretiseerd. Staatsdeelneming EBN krijgt ook volgend jaar de opdracht tot maximaal 80 terawattuur gas op te slaan voor zover marktpartijen dat onvoldoende doen. Daarvoor is maximaal 1 miljard euro subsidie beschikbaar. Beide maxima zijn plafonds: ze betekenen niet dat EBN dit volume al heeft gekocht of dat de hele subsidie wordt uitgegeven.
De timing doet ertoe. Dit gaat niet over de naderende winter, waarvoor vorige week de Europese scenariostudie verscheen, maar over het volgende opslagseizoen. De minister noemt voor Nederland een Europese vuldoelstelling van 103 terawattuur in 2027, met onder moeilijke marktomstandigheden ruimte om van de vereiste vullingsgraad af te wijken. Ter vergelijking meldt het kabinet dat de afgelopen vijf jaar gemiddeld ongeveer 70 terawattuur per winter uit de opslagen is gehaald.
Gasunie Transport Services heeft een nationaal vulniveau van 93 terawattuur, of 64 procent, geadviseerd. Voor het eerst ligt de Europese verplichting boven het GTS-advies. Een belangrijke verklaring is een gewijzigde rekenmethode: volgens nieuwe regels telt de koudste winter uit de afgelopen twintig jaar, in plaats van dertig. Daardoor valt een oudere, extreem koude winter buiten de berekening. Ook lagere verwachte Nederlandse vraag en extra LNG-aanvoer in een koude winter spelen mee.
De gekozen referentiewinter bepaalt hoeveel bescherming een seizoensvoorraad volgens het model biedt. GTS blijft daarom wijzen op strategische reserves voor maandenlange verstoringen. Seizoensopslag en een reserve voor uitzonderlijke aanvoerproblemen hebben verschillende functies. Het toepasselijke nationale vuldoel blijft volgens GTS de Europese 103 terawattuur; het eigen advies vervangt die verplichting niet.
Het vangnet adresseert een concreet marktprobleem. Gas inkopen, opslaan en later verkopen kost geld en bindt kapitaal. Wanneer het prijsverschil tussen zomer en winter die kosten onvoldoende dekt, kan commerciële opslag minder aantrekkelijk zijn dan maatschappelijk gewenst. Een publieke opdracht kan dat gat opvangen. Daar staat tegenover dat prijsrisico en mogelijke verliezen dan gedeeltelijk bij de overheid terechtkomen.
Daarnaast heeft het kabinet het Landelijk Crisisplan Gas geactualiseerd. Het overkoepelende kader verduidelijkt rollen, waaronder die van veiligheidsregio's, en de gevolgen van gasuitval voor andere kritieke sectoren. Bestaande maatregelenplannen blijven bestaan.
Hoeveel gas marktpartijen zelf opslaan, bepaalt welk deel van de opslagopdracht en het bijbehorende prijsrisico bij EBN terechtkomt.
Nederland
Meer faillissementen, maar de verslechtering is niet overal hetzelfde
In september zijn 320 Nederlandse bedrijven en instellingen, inclusief eenmanszaken, failliet verklaard in de voor zittingsdagen gecorrigeerde CBS-reeks. Dat zijn er 44 meer dan een jaar eerder, een stijging van ongeveer 16 procent, en zestien meer dan in augustus. De op 12 oktober verschenen cijfers geven een minder gunstig signaal over bedrijfscontinuïteit dan het sterke productienieuws van vorige week.
Ook afgezet tegen het aantal bedrijven is er verslechtering. De faillissementsgraad steeg van 7,5 naar 8,5 per honderdduizend bedrijven. Daarmee wordt rekening gehouden met de omvang van de bedrijvenpopulatie: een hoger absoluut aantal faillissementen kan immers deels ontstaan doordat er meer bedrijven bestaan. Volgens het CBS schommelde de graad sinds medio 2025 vooral rond zeven en acht. September ligt daar iets boven, maar één maand bewijst nog geen nieuwe langdurige golf.
De sectoren bewegen bovendien uiteen. Vervoer en opslag hadden in september de hoogste faillissementsgraad; in de horeca daalde die juist ten opzichte van vorig jaar. De sectorcijfers zijn niet gecorrigeerd voor het aantal zittingsdagen van rechtbanken, anders dan de genoemde landelijke reeks. Ze zijn geschikt om de verschillen tussen branches te bekijken, maar mogen niet zonder meer als dezelfde meetreeks bij het gecorrigeerde totaal worden opgeteld.
Een faillissement is een harde gebeurtenis voor schuldeisers en werknemers, maar de statistiek bevat geen rechtstreekse verklaring voor elk geval. Er kan sprake zijn van onvoldoende winst, te veel schuld, verlies van een klant of een liquiditeitstekort.
Voor de conjunctuur is vooral de combinatie met andere gegevens nuttig. Productie kan groeien bij grote of succesvolle ondernemingen, terwijl kleinere of zwakkere bedrijven uitvallen. Ook kan een bedrijf omzet boeken en toch te weinig geld hebben om op tijd te betalen. Groei van economische activiteit en verslechtering van kredietkwaliteit zijn verschillende dimensies van dezelfde economie.
Volgende maanden moeten uitwijzen of de hogere faillissementsgraad aanhoudt en zich over meer branches verspreidt.
Nederland
ASML ziet vraag tot 2030, maar interesse is nog geen definitieve bestelling
ASML rapporteerde op 14 oktober een recordomzet van 11,7 miljard euro over het derde kwartaal en een nettowinst van 5 miljard euro. Het bedrijf verwacht dat zijn huidige capaciteitsplanning voor 2027 en 2028 onvoldoende is om aan de door klanten aangegeven vraag te voldoen. Daarom onderzoekt het verdere uitbreiding voor 2028. De nieuwe cijfers laten zien dat de investeringsgolf in chips bij een belangrijke Nederlandse leverancier al tot omzet en winst leidt, niet alleen tot verwachtingen.
De brutomarge kwam uit op 57,5 procent. ASML schrijft de gunstige uitkomst mede toe aan sterke vraag naar upgrades van bestaande machines. Voor heel 2026 verwacht het bedrijf 44 tot 45 miljard euro omzet en een brutomarge rond 56 procent.
Klanten tonen volgens ASML belangstelling om al voor 2029 en zelfs 2030 orders te plaatsen. Reuters beschreef dit als een teken van stevige vraag naar geavanceerde chipmachines. De onderneming waarschuwt zelf dat vraagverwachtingen, ordermomenten en daadwerkelijke leveringen kunnen veranderen.
Bij een machinebouwer met complexe toeleveringsketens is ver vooruit plannen noodzakelijk. Extra productie vraagt niet alleen een grotere assemblagehal, maar ook onderdelen, gespecialiseerd personeel en capaciteit bij leveranciers. Te laat uitbreiden kan leveringen kosten; te snel uitbreiden kan leiden tot ongebruikte capaciteit wanneer klanten hun plannen terugschroeven. De nieuwe mededeling maakt die afweging concreter: ASML onderzoekt meer aanbod omdat de huidige planning volgens het bedrijf tekortschiet.
Het is goed mogelijk dat deze operationele kracht samengaat met onzekerheid over de waardering van AI-bedrijven. De fabrikant van productiemachines verdient eerder in de keten dan een onderneming die met de uiteindelijke rekencapaciteit diensten aan gebruikers verkoopt. Sterke vraag naar machines bewijst dat er wordt geïnvesteerd. Zij bewijst niet dat iedere afnemer, financier of gebruiker later een aantrekkelijk rendement behaalt.
Europa
Europa
Europese energietop kiest voor tijdelijke steun, zonder het emissiestelsel op te geven
De Europese leiders hebben tijdens hun top van 15 en 16 oktober de Commissie gevraagd tijdelijke steun voor zwaar getroffen industrie langer mogelijk te maken, raffinaderijen efficiënter te benutten en vrijwillige bundeling van energievraag te ontwikkelen. Tegelijk houden zij vast aan de centrale rol van het Europese emissiehandelssysteem. Het resultaat is geen ingevoerd Europees prijsplafond of opgeheven klimaatregel, maar een gezamenlijke opdracht om de directe energieschok te verzachten binnen een grotendeels behouden beleidskader.
De conclusies vragen ook om snellere behandeling van aanpassingen aan de marktstabiliteitsreserve, die de hoeveelheid emissierechten helpt reguleren. Daarnaast moet de Commissie de effecten, vormgeving en waarborgen van ETS2 opnieuw beoordelen. Dat laatste is het afzonderlijke emissiestelsel voor onder meer brandstoffen in gebouwen en wegvervoer. Een opdracht tot beoordeling is nog geen besluit over uitstel of afschaffing. De juridische uitwerking blijft bij de daarvoor bevoegde Europese instellingen.
Euronews beschrijft hoe de discussie nationale begrotingen onder druk zet. Landen als Italië en Griekenland vragen om extra ruimte voor steun, terwijl industrie en huishoudens met hoge prijzen worden geconfronteerd. De meningsverschillen gaan daarmee niet alleen over klimaatambitie. Ze gaan ook over de vraag wie financiële bescherming kan betalen en hoeveel uiteenlopende nationale regelingen de interne markt verdraagt.
Staatssteun kan een acute kostenpiek overbruggen, maar een ruimer Europees steunkader is geen gezamenlijke Europese geldpot. Het geeft overheden onder voorwaarden meer mogelijkheden om zelf steun te verlenen. Landen met een ruimere begroting kunnen daar gemakkelijker gebruik van maken dan landen die al hoge tekorten of rentelasten hebben. Voor een bedrijf kan daardoor niet alleen de energiebron, maar ook de vestigingsplaats bepalen hoeveel bescherming beschikbaar is.
Vrijwillige vraagbundeling heeft een ander aangrijpingspunt: gezamenlijk inkopen kan de onderhandelingspositie verbeteren en concurrentie tussen Europese kopers beperken. Dat creëert echter geen extra gas of brandstof wanneer het fysieke aanbod schaars is. Raffinaderijen beter benutten richt zich juist op de productiekant. Of daar snel resultaat mogelijk is, hangt af van technische beperkingen, onderhoud, beschikbare ruwe olie en de producten die installaties kunnen leveren.
De leiders plaatsen kortetermijnmaatregelen naast elektrificatie, netten, opslag en andere investeringen die de afhankelijkheid van fossiele invoer moeten verminderen. Die twee tijdschalen botsen soms: bedrijven hebben nu verlichting nodig, terwijl infrastructuur tijd vraagt. Een structurele prijsprikkel zomaar uitschakelen kan toekomstige investeringskeuzes veranderen; niets doen kan ondernemingen al vóór die omschakeling in problemen brengen.
Europa
De Europese obligatiemarkt is afhankelijker geworden van beleggers die snel kunnen vertrekken
De onrust in Europese staatsobligaties legt deze week een tweede kwetsbaarheid bloot naast overheidsschuld en inflatie: de manier waarop handel wordt gefinancierd. Reuters beschrijft op 16 oktober hoe hedgefondsen een steeds grotere rol spelen en bij tegenwind snel dezelfde posities kunnen afbouwen. Het deze week gepresenteerde financiële-stabiliteitsbeeld van het IMF waarschuwt voor zulke versterkingsmechanismen. Daarmee verschuift de vraag van alleen welke staat veel leent naar wie de leningen dagelijks verhandelt en met hoeveel geleend geld.
Volgens de door Reuters aangehaalde ECB-schatting verzorgen hedgefondsen inmiddels meer dan de helft van de handel in Europese staatsobligaties, tegenover ongeveer dertig procent in 2020. Dat gaat over handelsactiviteit, niet over bezit van de helft van alle uitstaande schuld. Een partij die dezelfde obligatie vaak koopt en verkoopt kan een groot aandeel in de omzet hebben zonder een even groot permanent bezit.
Hedgefondsen zijn geen uniforme groep. Sommige zoeken richting in rente of valuta, andere proberen kleine prijsverschillen tussen verwante instrumenten te benutten. Bij een zogeheten basistransactie kan een fonds bijvoorbeeld een obligatie en een bijbehorend termijncontract combineren. Het verwachte verschil is klein; geleend geld maakt een groter rendement op het eigen vermogen mogelijk. Dezelfde hefboom vergroot echter het verlies wanneer prijzen onverwacht uiteenlopen of financiering duurder wordt.
Een illustratief voorbeeld: een fonds houdt voor honderd euro beleggingen aan met vijf euro eigen vermogen en 95 euro financiering. Een waardedaling van één euro is slechts één procent van de belegging, maar twintig procent van de eigen buffer. Dit is geen schatting van een specifiek fonds. Het laat zien waarom een relatief beperkte marktbeweging tot een veel grotere aanpassing van posities kan leiden wanneer financiers extra zekerheid vragen.
Het IMF beschrijft hoe geleend geld, vergelijkbare posities en gelijktijdige terugtrekkingen elkaar kunnen versterken. Fondsen verkopen om risico of financieringsbehoefte te beperken. Daardoor dalen prijzen, wat andere partijen opnieuw onder druk kan zetten. Ook de banken die fondsen financieren kunnen worden geraakt. De bankensector als geheel kan relatief stevig zijn terwijl via enkele verbindingen toch onrust wordt doorgegeven.
Reuters benadrukt tegelijk de andere kant: fondsen leveren in normale omstandigheden liquiditeit en nemen een grotere rol wanneer andere kopers minder actief zijn. De branche waarschuwt tegen het zonder hard bewijs toeschrijven van alle recente bewegingen aan hedgefondsen. Ook Franse begrotingsrisico's en inflatie blijven relevant.
Voor overheden kan een slecht functionerende handelsmarkt de voorwaarden voor nieuwe leningen verslechteren. Voor beleggers telt naast het uiteindelijke terugbetalingsrisico ook of zij een positie op een gewenst moment tegen een redelijke prijs kunnen verkopen. Een staatslening kan dus een betrekkelijk betrouwbare debiteur hebben en toch flink in koers bewegen. Kredietwaardigheid en verhandelbaarheid zijn verschillende vormen van zekerheid.
Wereld & finance
Wereld & finance
Het IMF ziet groei overeind blijven, maar op een smallere en kwetsbare basis
Het IMF raamt de mondiale groei op 3,1 procent in 2026 en 3,4 procent in 2027. De op 13 oktober gepresenteerde World Economic Outlook verhoogt daarmee de verwachting voor dit jaar licht ten opzichte van juli. Groei blijft volgens het fonds overeind door een combinatie van aanpassingsvermogen en sterke technologie-investeringen, terwijl dure energie en beperkte begrotingsruimte andere delen van de economie afremmen.
De wereldwijde inflatie wordt geraamd op 4,7 procent dit jaar en 4,1 procent volgend jaar. De raming gebruikt statistische informatie die tot 1 oktober beschikbaar was. Zij kan daarom niet tegelijk een volledige verwerking zijn van alle economische en financiële ontwikkelingen uit de tweede oktoberweek.
Reuters beschrijft een belangrijke voorwaarde achter het herstelbeeld: het basisscenario veronderstelt heropening van de Straat van Hormuz in maart 2027 en een brede terugkeer naar vooroorlogse scheepvaartomstandigheden tegen oktober van dat jaar. Dat is een modelaanname, geen vastgesteld diplomatiek of militair tijdpad. Een groeiraming die van herstel van transport uitgaat, moet opnieuw worden beoordeeld wanneer die verstoring langer duurt.
Het IMF zet twee schokken tegenover elkaar. Duurdere energie beperkt wat met dezelfde middelen kan worden geproduceerd en drukt op koopkracht. De technologiehausse stimuleert juist investeringen en handel. Beide kunnen prijzen opdrijven, maar ze doen economisch iets anders. Een land dat veel energie invoert en weinig aan de technologieketen levert, krijgt vooral de nadelen. Een producent van gewilde onderdelen kan tegelijk sterke vraag en hogere kosten ervaren.
Daarom is een wereldgemiddelde ontoereikend om de positie van een afzonderlijke economie te begrijpen. Het gemiddelde kan redelijk stabiel blijven doordat winsten en verliezen elkaar compenseren. Ook binnen landen kunnen inkomens, bedrijven en regio's sterk uiteenlopen.
De concentratie van investeringen maakt het groeibeeld bovendien gevoeliger voor gewijzigde verwachtingen in een beperkt aantal sectoren. De economische opbrengst hangt vervolgens af van het gebruik van de nieuwe datacenters en apparatuur. Minder investeringen zouden op korte termijn vraag wegnemen, ook wanneer sommige toepassingen op langere termijn waardevol blijven.
Voor overheden ontstaat een lastige combinatie. Zij willen huishoudens beschermen tegen hoge kosten, maar hebben juist bij hogere rente minder ruimte om iedere prijsstijging te compenseren. Het IMF bepleit gerichte, tijdelijke inkomenssteun en herstel van begrotingsbuffers. De economische reden is dat een algemene prijsverlaging ook terechtkomt bij wie geen steun nodig heeft en de prikkel om schaarse energie te besparen kan verzwakken.
Wereld & finance
AI-onrust bereikt de kredietmarkt: bescherming tegen wanbetaling wordt veel duurder
De twijfel over het rendement van AI-investeringen is deze week zichtbaar geworden in de prijs van kredietrisico. Reuters meldde op 15 oktober dat bescherming tegen wanbetaling bij Oracle, SoftBank en CoreWeave sterk duurder was geworden. Daarmee is het vervolg op eerdere financieringsberichten concreet: niet alleen aandelenbeleggers herzien verwachtingen, ook de markt die risico op leningen prijst vraagt meer vergoeding.
De vijfjaarsprijs van een credit default swap, kortweg CDS, op Oracle bereikte volgens door Reuters aangehaalde marktdata 288 basispunten. Bij SoftBank was dat 424 basispunten en bij CoreWeave meer dan duizend. Eén basispunt is een honderdste procentpunt. De niveaus zijn momentopnamen uit de berichtgeving van 15 oktober, geen geverifieerde vrijdagse slotreeks. Ze mogen ook niet zonder meer worden gelezen als rentepercentages op alle uitstaande leningen van deze bedrijven.
Een CDS is een contract dat onder bepaalde voorwaarden uitkeert bij een kredietgebeurtenis, zoals wanbetaling. De koper betaalt voor die bescherming. Een hogere prijs kan samenhangen met een grotere ingeschatte kans op verlies, maar ook met vraag naar bescherming en de verhandelbaarheid van het contract. Bij hoge risiconiveaus kunnen bovendien vooruitbetalingen en standaardcontractvoorwaarden een rol spelen. Een genoteerde opslag is dus niet gelijk aan een simpele, rechtstreeks afleesbare faillissementskans.
Reuters meldde daarnaast dat een CoreWeave-obligatie met afloop in 2032 rond 77 cent per dollar nominale waarde handelde. Dat is de prijs waartegen de obligatie op dat moment verhandeld werd. Wie tot aflossing houdt, krijgt alleen de nominale hoofdsom terug wanneer de onderneming haar verplichtingen volledig nakomt. De koers laat zien dat kopers een hogere vergoeding of korting verlangen voor de onzekerheid die zij overnemen.
Het economische mechanisme verschilt van een gewone daling van een winstverwachting. Een onderneming met omvangrijke eigen kasstromen kan een investeringsprogramma deels vertragen of intern financieren. Een onderneming die voortdurend extern kapitaal nodig heeft, kan door duurder krediet sneller in een lastigere positie komen. Als nieuwe financiering duurder wordt, stijgt het rendement dat nieuwe projecten moeten opleveren. Tegelijk kan twijfel over die toekomstige opbrengsten juist de reden zijn waarom financiers meer vragen.
Zo kan een terugkoppeling ontstaan: onzekerheid over opbrengsten maakt kapitaal duurder, waardoor minder projecten aantrekkelijk zijn, wat de eerdere groeiverwachting verder onder druk kan zetten. Dat hoeft niet bij ieder bedrijf te gebeuren. Looptijden, zekerheden, contracten met klanten en beschikbare liquiditeit bepalen hoeveel tijd een onderneming heeft.
Het IMF plaatst in zijn financiële-stabiliteitsrapport een mogelijke AI-correctie naast andere schokken en waarschuwt voor de versterkende werking van schuld en geconcentreerde blootstelling. Om van bredere besmetting te spreken, zou meer bewijs nodig zijn: bijvoorbeeld problemen bij financiering buiten de betrokken bedrijven, gedwongen verkopen bij kredietverstrekkers of aantoonbare beperking van nieuwe leningen.
Wereld & finance
Amerikaanse inflatie loopt op, vooral door benzine maar niet uitsluitend
De Amerikaanse consumentenprijzen lagen in september 3,7 procent hoger dan een jaar eerder, tegen 3,4 procent in augustus. Op maandbasis stegen zij seizoengecorrigeerd met 0,6 procent. De op 14 oktober gepubliceerde CPI-cijfers laten daarmee een nieuwe versnelling zien. Benzine leverde meer dan de helft van de maandelijkse stijging, maar ook de inflatie zonder voeding en energie liep op jaarbasis op.
Benzine werd in één maand 9,1 procent duurder. De kernindex steeg met 0,3 procent ten opzichte van augustus en met 2,6 procent ten opzichte van een jaar eerder, tegen 2,4 procent in augustus. Woonkosten namen op maandbasis met 0,4 procent toe. Deze uitsplitsing is belangrijk: het totaalcijfer is sterk door brandstof beïnvloed, maar de ontwikkeling kan niet volledig worden afgedaan als één geïsoleerde pompprijsbeweging.
De CPI is niet dezelfde inflatiemaatstaf als de PCE-index die in eerdere berichtgeving over de Amerikaanse centrale bank aan bod kwam. Verschillen in dekking en weging kunnen verschillende uitkomsten opleveren. De nieuwe 3,7 procent mag daarom niet rechtstreeks naast een eerder PCE-percentage worden gezet alsof het om één doorlopende reeks gaat. Ook de maand- en jaarpercentages beantwoorden verschillende vragen: de eerste toont recente prijsdruk, de tweede vergelijkt met het prijsniveau twaalf maanden geleden.
Voor het rentebeleid maakt de bron van de stijging verschil. Een hogere rente produceert geen extra olie en opent geen verstoorde scheepvaartroute. Zij kan wel de vraag afremmen en helpen voorkomen dat een tijdelijke kostenstijging zich vastzet in lonen, andere prijzen en verwachtingen. Te hard reageren op een aanbodschok kan de economie extra afremmen; te weinig reageren op bredere doorwerking kan latere bestrijding moeilijker maken.
Voor huishoudens is de herkomst van inflatie minder abstract. Benzine raakt direct het besteedbare inkomen, terwijl woonkosten minder gemakkelijk uit de begroting te schrappen zijn. Een lage stijging in sommige andere categorieën compenseert dat niet voor ieder huishouden. Het gemiddelde meet een gestandaardiseerd bestedingspakket, geen individuele koopkrachtontwikkeling. Daarvoor zijn ook inkomen, belastingen en het eigen verbruik nodig.
Voor het rentebeleid telt vooral of de stijging van brandstofprijzen doorwerkt in andere prijzen en in de inflatieverwachtingen.